JE
ADEM, JE NAAM
Waar is mijn adem?
Mijn longen lijken zo ver weg,
Verder dan de muur,
Wijder dan mijn kamer.
Ik heb jouw haren in mijn keel.
Die fles daar in het schijnsel,
Suist mijn adem daar?
En wat was je naam,
Je adem, ook alweer?
Het
is net alsof
Ik jou al heel lang ken,
Anders had ik al die dingen
Vanavond nooit aan jou onthuld.
Al mijn tollende geheimen,
Ze slapen in je mond
Die net zo donker glanst
Als de fles die naast het raam
Jouw naam herhaalt, en ademhaalt.
Annemarie
Estor voor Hans Helsen, 2011
VRIEZER
MET VENSTERS
Al
dertig jaren zijt gij mijn gezel.
Gij zijt zo lief en ik zie u graag.
Maar
van uw zwermende woorden,
uw spektakel van taal,
raak ik zo oververhit.
Hoe
koel ik u af?
Hoe maak ik u traag?
Al
dertig jaren zijt gij mijn gezel.
Gij zijt zo lief en ik zie u graag.
Kunt
gij mij vergeven,
want ik vrees dat ik u nu en dan
in een diepvries wil doen.
Ik
toog naar de winkel
en heb bij het witgoed staan peinzen.
Al
dertig jaren zijt gij mijn gezel.
Gij zijt zo lief en ik zie u graag.
Ik
heb de verkoper gevraagd
om een vriezer met vensters.
Want
ook in die diepvries
zal ik u altijd graag zien.
Annemarie
Estor voor Klara, 2011