Enkele
gedichten uit: A. Estor. (2010). Vuurdoorn me. Amsterdam: Wereldbibliotheek.
DROESEMIG GENOEG
Voor
Frederick Turner
Waar
wij zitten, in het park,
hangen flessengeesten slierten lampjes op.
Ze vlechten uit het bladerdak een krans voor jou.
Ze
schilderen aardsap op de meisjes, lippen glanzen.
Het groene glas beschijnt decolletés.
We laten Dionysos onze bloes bezoedelen.
Dan
neem je jouw kiezels uit de verzameling weg.
Later
zit je op je bed, je hemd valt van je ribben.
Mijn vingers duwen weefsels die je achterliet de grond in,
een aardeduivel legt me op zijn bast.
Jij
vond de nacht al droesemig genoeg,
maar het bloesemt aan je pen.
PIJNBOS
Niet
ver van de ijzerbaan, waar de trein schreeuwt
en door zijn open ramen lucht schept,
kalmeert de planeet de groene boezems.
Duizelende
zakdoek.
Het
oorsuizen sterft en valt tussen kluiten.
Hier kettingzagen mannen een stuk van het pijnbos.
Ze
zuigen je vacuüm, rijten je bloes van je lijf
en zetten klemmen. Ze rooien vandaag.
Hier vliegt een engel uit het wegland naar verstand.
Boeren
scheuren vanavond Vlaamse aarde open.
GEVALLEN
MAAN
Lange
vlierbeskrullen leg ik in de bosrand neer
tussen humus, hek en hyacinten.
Trek
je laarzen aan.
Vind me hier en kniel dan neer.
Ruik
mijn halzenvel:
ik ben jouw gevallen maan.
Voel
mijn wangen, uilendons.
Grijp je harkerige handen om mijn evenaar.
Mijn
vliersapstroom doet slapen kloppen.
Dan waag ik me knalgroen open.
Ik
draai me smal en hertig om
totdat ik je rij.
Ik
smijt mijn krullen tussen hek en takken,
trek je schop de greppel in met worteldraad.